Fred Langen is 55 jaar en eigenaar van een groente- en fruitwinkel.
’s Ochtends staat Fred al om 4.00 uur op om op tijd bij de veiling te zijn om zijn producten in te kopen. ’s Avonds komt hij pas na 19.00 uur uitgeput binnen, waar zijn vriend Sjoerd met een bord aardappelen en bloemkool zit te wachten. Fred merkt de laatste jaren dat de zaken minder gaan. Aan het eind van het jaar blijft er steeds minder winst over. Zijn vriend Sjoerd blijft er maar over klagen.
Sjoerd wil graag een week op vakantie met Fred.

 informatiebron 1: Uit de administratie van Fred

Financieel overzicht van de maand mei
verkoop groente €3.000
inkoop groente €2.500
verkoop fruit €2.500
inkoop fruit €1.500
vaste bedrijfskosten €1.825
variabele bedrijfskosten €775

Gebruik informatiebron 1.

1

Bereken voor Fred het nettoresultaat over de maand mei. Geef ook aan of dit een positief of een negatief resultaat is.
Schrijf je berekening op.

Fred kijkt op de site van het Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD). Hij wil zijn brutowinstmarges vergelijken met die van andere groentezaken.

Gebruik informatiebron 1.

2

Fred ziet dat zijn brutowinstmarge op fruit hoger is dan zijn brutowinstmarge op groente.
⇒ Bereken in één decimaal de brutowinstmarge op fruit als percentage van de inkoop.
Schrijf je berekening op.

3

Sjoerd kijkt met Fred mee. Hij heeft gezien dat de brutowinstmarge op groente veel hoger is dan op veel andere producten, bijvoorbeeld wasmiddelen.
⇒ Verklaar waarom de brutowinstmarge op groente veel hoger moet zijn dan de brutowinstmarge op wasmiddelen.

Sjoerd wordt niet bepaald vrolijk van de financiële situatie. Er moet iets gebeuren. Fred is nog veel te jong om te stoppen met werken en een bedrijf dat niet geweldig loopt, is ook niet makkelijk te verkopen.

 informatiebron 2: Aardappelen, groente en fruit

Marktaandelen van verkoopkanalen (totaal)
  2002 2012
supermarkten 69% 77%
groentezaken 13% 10%
ambulante handel 11% 8%
niet-detailhandel 3% 2%
overige winkels 4% 3%
totaal 100% 100%

bron: HBD

Gebruik informatiebron 2.

4

Fred heeft wel een idee waarom de winkel minder goed loopt. Hij heeft veel concurrentie van de supermarkt uit het dorp. De mensen kopen steeds vaker hun aardappelen, groente en fruit bij de supermarkt.
Fred laat zijn vriend twee tabellen zien die hij tegen kwam in een vakblad.
In een tabel ziet hij dat in 2002 de totale bestedingen aan aardappelen, groente en fruit € 2.949 miljoen bedroegen. In 2012 bedroegen de totale bestedingen aan aardappelen, groente en fruit € 3.710 miljoen.
In de andere tabel staan de marktaandelen vermeld. Het marktaandeel is het aandeel dat een aanbieder van een goed heeft in de totale afzet op de betreffende markt in een periode.
⇒ Bereken in één decimaal met hoeveel procent de totale bestedingen in de groentezaken in 2012 zijn gedaald ten opzichte van 2002.
Schrijf je berekening op.

Sjoerd stelt voor dat Fred maar eens na moet denken over zijn mogelijkheden tot verbetering van de financiële situatie. Gelukkig krijgt Fred hulp van het Hoofdbedrijfschap Detailhandel. Dat begint een landelijke campagne met de volgende slogan: ‘Echte smaak beleef je bij de groenteman’.

5 Fred zal zich moeten onderscheiden van de supermarkt. Hij gaat zich richten op de punten uit de campagne: deskundig advies, persoonlijke service, kwaliteit en een ruim assortiment.
Op welke p van de marketing gaat hij zich dan richten?

  1. plaatsbeleid
  2. prijsbeleid
  3. productbeleid
  4. promotiebeleid
6

Ondanks pogingen weer winst te maken, lukt dat niet. Sjoerd vraagt Fred na te denken over stoppen met zijn eigen zaak en te gaan solliciteren.
⇒ Verklaar waarom het voor Fred voordeliger kan zijn om werknemer te worden dan eigenaar te blijven.

1

Omzet: €3.000 + €2.500 = €5.500
Inkoopwaarde en kosten: €2.500 + €1.500 + €1.825 + €775 = €6.600
Nettoresultaat: €5.500 – €6.600 = – €1.100

OF

Omzet: €3.000 + €2.500 = €5.500
Inkoopwaarde: €2.500 + €1.500 = €4.000
Brutoresultaat: €5.500 – €4.000 = €1.500
Bedrijfskosten: €1.825 + €775 = €2.600
Nettoresultaat: €1.500 – €2.600 = – €1.100

Opmerking: uit het antwoord moet blijken dat er sprake is van een negatief resultaat.

2

Brutowinstmarge op fruit: € 2.500 – € 1.500 = € 1.000

procenten van

Brutowinstmarge in procenten van de inkoop: € 1.000 / € 1.500 × 100% = 66,7%

3

Groente kan bederven, wasmiddelen niet. (Daardoor moet de brutowinstmarge op groente ook een ‘opslag’ voor de inkoopwaarde van de bedorven producten bevatten.)

4

In 2002: 13% van € 2.949 miljoen = € 383.370.000
In 2012: 10% van € 3.710 miljoen = € 371.000.000

procentuele verandering

Procentuele verandering = (€ 371.000.000 – € 383.370.000) / € 383.370.000 × 100% = – 3,2%
Dit is een daling van 3,2%

5

C

6

voorbeelden van juiste verklaringen:

  • Vaste inkomsten per maand. (Als werknemer krijg je iedere maand een vast loon. Als eigenaar is je inkomen afhankelijk van de winst.)
  • Minder lange werktijden. (Een werknemer werkt een vast aantal uren. De werkdag van een eigenaar eindigt pas als al het werk gedaan is.)